donderdag 15 augustus 2013

Wederopbouw Enschede gecoördineerd met GIS

Politiek-digitaal.nl, 17 mei 2005
Wederopbouw Enschede gecoördineerd met GIS


13 mei 2000. Wat begon als een zonnige lentedag, eindigde in een nationale ramp: vuurwerkbedrijf SE Fireworks explodeerde met fatale gevolgen.

Door Steven de Jong

De media lichtten de schuldvraag, het falende beleid en de publieke emoties breed uit. Buiten de schijnwerpers tekende zich echter een enorm project af.

Onder maatschappelijke druk stond de gemeente Enschede voor een immense uitdaging: de wederopbouw van het rampterrein. Advies- en ingenieursbureau DHV bracht orde in de chaos. Hoe? Met AMANSYS, de stille kracht achter complex projectwerk in een turbulente omgeving.

Dat de opbouw van het rampterrein geen gewoon bouwproject betrof werd al snel duidelijk. De publieke druk, de vele actoren, de vragen van bewoners, lopende onderzoeken, de asbestvervuiling: van de één op de andere dag moest er een sanerings- en wederopbouwplan uit de grond gestampt worden.

De uitdagingen waar DHV voor stond waren de volgende. Hoe houdt de projectleiding in zo’n situatie het overzicht? Hoe krijgen de betrokken partijen te weten wat zij wanneer en waar moeten doen? Hoe wordt de bewoner betrokken bij de wederopbouw? Wie bewaakt het strakke tijdsschema?

AMANSYS

Een catastrofe van deze aard en omvang had zich niet eerder in Nederland voltrokken. Het antwoord van DHV op de complexiteit en chaos was AMANSYS, dat staat voor ‘analytisch management systeem’. AMANSYS is een door DHV ontwikkelde informatiestrategie voor het beheren, analyseren en presenteren van ruimtelijke gegevens.

GIS-applicaties

Vanuit dit concept ontwikkelt DHV GIS-applicaties. GIS staat voor Geografisch Informatiesysteem. Op maat te programmeren software waarmee ruimtelijke gegevens inzichtelijk en interactief gemaakt kunnen worden. Voor Enschede ontwikkelde DHV de Applicatie Rampterrein Enschede (ARE) voor de sanering en projectcoördinatie, het BodemInformatie Systeem (BIS) voor het managen van bodeminformatie en het KavelUitgifte-InformatieSysteem (KUIS) voor reservering van bouwrijpe grond en de overdracht daarvan aan burgers en bedrijven.

De applicaties zijn ontwikkeld door Michel Kreileman, specialist geo-informatie van DHV. In het GIS-projectverslag (download via link hieronder) wordt openheid gegeven in het gebruik en de opbouw van genoemde applicaties.

Informatiehuishouding Provincies beknot toegang milieu-informatie

Politiek-digitaal.nl, 15 mei 2005
Informatiehuishouding Provincies beknot toegang milieu-informatie


De toegang tot milieu-informatie is onlangs - conform het Verdrag van Aarhus - verankerd in de Wet milieubeheer en de Wet openbaarheid bestuur. Hoewel van openbaarheid in principe al sprake was, bleek adequate informatievoorziening in gebreke te blijven.

Door Steven de Jong

"De informatiestructuur binnen overheden is vaak niet helder. Afspraken over wie welke informatie beheert zijn niet gemaakt", stelde een Aarhus-werkgroep vast. Politiek-Digitaal vroeg Provincies wat ze daaraan gaan doen.

Milieufederaties constateerden dat milieu-informatie in actualiteit, kwaliteit en volledigheid sterk van elkaar afwijkt en dat overheden daardoor niet in staat zijn snel informatie boven tafel te krijgen. Oorzaak hiervan lijkt de versnippering. In de ontwikkeling van instrumenten en publieke diensten hebben Provincies de neiging afzonderlijk van elkaar het wiel uit te vinden.

Politiek-Digitaal constateerde dat Provincies welwillend staan tegenover transparantie, maar dat ze aanlopen tegen bestuurlijke, culturele en organisatorische knelpunten. De hoop is gevestigd op standaardisatie en uitwisseling met behulp van ICT. Hoewel Provincies daarin graag andere Provincies aftroeven, lijkt een centrale regie door het Rijk nu onontbeerlijk.

Verdrag van Aarhus

De noodzaak tot rigoureuze vernieuwingen in de werkwijze en informatiehuishouding van lagere overheden is ingegeven door Brussel. Op 25 juni 1998 werd in de Deense havenstad Aarhus het Verdrag van Aarhus aangenomen. Dit Verdrag regelt de toegang tot milieu-informatie, de inspraak bij besluitvorming en de toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden. Het Verdrag is via Europese richtlijnen sinds 14 februari 2005 grotendeels verankerd in de Wet milieubeheer (Wm) en de Wet openbaarheid bestuur (Wob). Wel zit er een grote speelruimte tussen de minimumvereisten en de eigen invulling die overheidsinstanties aan de richtlijnen mogen geven.

Minimumvereisten

Aan de eerste pijler van Aarhus – de toegang tot milieu-informatie - wordt de meeste ruchtbaarheid gegeven. De wettelijke minimumvereisten houden in dat milieu-informatie op verzoek binnen vier weken verschaft moet worden en dat de burger geholpen moet worden bij het preciseren van zijn vraag. Afgezien van nog wat juridische rechten die de burger aan de gewijzigde Wm en Wob kan ontlenen, worden globale eisen gesteld aan het informatiebeheer. Zo moet milieu-informatie bij voorkeur bewaard en geordend worden in een elektronische vorm die gemakkelijk reproduceerbaar is voor actieve en systematische verspreiding onder het publiek. En moet de informatie actueel, nauwkeurig en vergelijkbaar zijn.

Informatiehuishouding

Een logische zaak, zo lijkt het. Maar in de huidige praktijk is deze logica ver te zoeken. Het Project Implementatie Aarhus (PRIMA) kwam in haar eerste inventarisatie tot de conclusie dat “de informatiestructuur binnen overheden vaak niet helder is en afspraken over wie welke informatie beheert niet zijn gemaakt”. De Provinciale Milieufederaties ondervonden dat aan den lijve in hun pilotproject Rechtomteweten.nl, waarbij het extra risico op kanker op basis van emissie-cijfers geografisch inzichtelijk werd gemaakt. In hun evaluatie winden ze er geen doekjes om: “De meeste overheden waren niet in staat om snel een overzicht te geven van de bronkarakteristieken en de uitstoot van schadelijke stoffen door bedrijven waarover zij het bevoegd gezag voeren.” Ook constateerden ze dat als de gegevens eenmaal boven tafel zijn, ze onderling niet goed te vergelijken zijn. Zowel in actualiteit, onderhavige methodiek als in kwaliteit. Ook schijnen belangrijke gegevens in een aantal vergunningen niet te kloppen, ontbreken essentiële cijfers en worden verplichte metingen soms niet uitgevoerd. Staatssecretaris Pieter van Geel (VROM) schreef in 2004 een Aarhus-brief aan lagere overheden, waarin hij zegt dat “adequate informatievoorziening aan burgers noodzakelijk is om de betrokkenheid bij het milieubeleid te waarborgen”. Makkelijker gezegd, dan gedaan dus.

Cultuurverandering


Melva Rosaria beaamt dat er heel wat moet veranderen om de nieuwe wetgeving in de praktijk te brengen. Als projectcoördinator Aarhus voor de Provincie Zuid-Holland stelt ze dat ambtenaren “vooral moeten wennen” aan een grotere openbaarheid van milieu-informatie. “Namelijk alle informatie die je aanbiedt via het internet, moet ook actueel blijven. Dat betekent een verandering van de werkwijze van medewerkers. Als organisatie raak je nog meer gericht op de buitenwacht en hierdoor verandert de cultuur van de organisatie.” Ook Henk Wubbolts – Team Beleid, Economie, Milieu en Toerisme van de Provincie Overijssel – acht een cultuurverandering noodzakelijk. “Voor bestuur en ambtelijk apparaat moet gelden: denken van buiten naar binnen. Dat betekent dat de vragen en de inbreng van intermediaire organisaties, ondernemingen en burgers serieus genomen moeten worden.” Als het aan Wubbolts ligt moeten Statenleden en Gedeputeerden actief de mogelijkheden van inbreng, meemaken en wisselwerking tussen bestuur en burger bevorderen. “Een versterking van de burgerparticipatie”, zo vat Wubbolts zijn visie samen.

“Google-generatie is opgestaan!”

Een “open communicatie met de samenleving” vanuit een “vernieuwd bestuur en ambtelijk apparaat” is volgens Wubbolts hetgeen waar de Provincie Overijssel naar streeft. Als belangrijkste drijfveer voor deze omslag noemt hij de versterkte mogelijkheden om informatie te verzamelen en te verspreiden. “De Google-generatie is opgestaan!”, benadrukt Wubbolts. Geert Janssen van de Dienst Water en Milieu van de Provincie Utrecht wil daar een kanttekening bij maken. “Informatie kan niet zondermeer openbaar worden gemaakt. In principe moet alles eerst bestuurlijk vastgesteld worden. Dat is wel iets waar je rekening mee moet houden, het vertraagt het proces van ontsluiting van milieu-informatie.”

Organisatorische beperkingen


Hoewel Wubbolts het bestuurlijke knelpunt niet benoemt, wijst hij wel op de organisatorische beperkingen: “Net als ieder ander stuiten wij op chaos en complexiteit. Dat botst met de absolute noodzaak om met beperkt beschikbare menskracht, tijd en middelen toch de goede beslissingen te kunnen nemen en ontwikkelingen bij te benen.”

Volgen en afstemmen


Dat laatste is voor de Provincie Flevoland juist reden om afwachtend andere Provincies te volgen, zo laat Rogier Wilms van de afdeling Milieuplanvorming weten. “De ontwikkelingen in de ICT gaan snel. Daarom oriënteert de Provincie Flevoland zich op de mogelijkheden waarbij afstemming plaatsvindt met andere Provincies en het Rijk. Op dit moment heeft de Provincie Flevoland geen concrete plannen geformuleerd die verder gaan dan interprovinciale afspraken die gemaakt zijn om milieu-informatie beschikbaar te stellen via internet.” De terughoudend van de Provincie Flevoland is te verdedigen. In het verleden is gebleken dat de gretigheid in het ontwikkelen van nieuwe instrumenten en voorzieningen niet altijd lucratief is. Zo ontwikkelde vrijwel iedere Provincie op eigen houtje een risicokaart voor externe veiligheid. Dat betekende niet alleen hogere kosten doordat bijna tien keer het wiel werd uitgevonden, maar ook een gebrek aan uniformiteit door het uitblijven van afstemming.

Standaardisatie en centrale regie


Nu komen overheden terug op die versnippering. De afzonderlijke risicokaarten worden momenteel omgezet in een landelijke standaard: de Model-Risicokaart. Provincies en gemeenten vullen onder regie van het RIVM het Risicoregister, de database achter de Model-Risicokaart. De ministeries van Binnenlandse Zaken (BZK) en VROM hebben de verantwoordelijkheid over deze landelijke risicokaart. Wilms van de Provincie Flevoland verwelkomt deze centrale regie: “Alle Provincies en Gemeenten in Nederland werken vanaf plusminus 2006 met dezelfde applicatie. Dat is een hoge mate van afstemming en standaardisatie.” Volgens Wilms doet de Provincie Flevoland er alles aan om de inspanningsverplichting die uitgaat van de Aarhus-richtlijn na te komen, maar kiest ze liever niet voor een roekeloze pioniersrol.

“Eerst duizend bloemen laten bloeien”


Voor Jan Eggens van de Provincie Noord-Brabant gaat standaardisatie niet boven alles. Eggens meent dat het “niet zo erg” is dat Provincies afzonderlijk van elkaar risicokaarten hebben ontwikkeld. “In de ontwikkelingsfase is het niet zo gek om duizend bloemen te laten bloeien, om een uitspraak van een inmiddels verguisd Oosters leider aan te halen. Als je er daarna maar voor zorgt, dat het een mooi, aaneengesloten tulpenveld wordt.”

Integratie van thema’s

Frank van Lissum heeft het niet zo op het citeren van verguisde Oosterse leiders. Als medewerker bij de afdeling Stedelijke Leefomgeving van de Provincie Limburg ventileert hij concrete ideeën voor standaardisatie. “Voor externe veiligheid wordt al aangesloten bij landelijke ontwikkelingen. Maar wij willen ook voor bodeminformatie zoveel mogelijk gebruik maken van landelijke portaals, zoals Bodemloket.nl. Voor luchtkwaliteitskaarten wordt geen gebruik gemaakt van een landelijke database. Wellicht dat dit in de toekomst tot de mogelijkheden behoort.” Geert Janssen van de Provincie Utrecht wil daarover kwijt dat Utrecht de software van de Model-Risicokaart gebruikt om juist die andere thema’s inzichtelijk te maken. Zo heeft de Provincie Utrecht databases voor streekplannen, waterhuishouding, woningbouw, natuur en recreatie in eigen beheer, maar maakt ze die inzichtelijk volgens de landelijke standaard van de Model-Risicokaart.

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat de ontwikkeling van een landelijk instrument als de Model-Risicokaart drie voordelen heeft: niet elke Provincie houdt zich meer afzonderlijk bezig met de ontwikkeling van een risicokaart, de Model-Risicokaart kan ingezet worden voor andere thema’s én er begint zich een hoge mate van uniformiteit af te tekenen. Of in de woorden van Geert Janssen van de Provincie Utrecht: “Interprovinciale ontwikkelingen zijn kostenbesparender en efficiënter.”

Dat betekent niet dat het onverstandig is als Provincies zelf het initiatief nemen om vernieuwingen in de publieke informatievoorziening door te voeren, maar wel dat ze zich daarbij telkens moeten afvragen of er niet voortgebouwd kan worden op een al bestaand systeem.

Zo kunnen afzonderlijke Provinciale diensten en instrumenten langzaam uitgroeien tot een landelijk model en zal het minder vaak voorkomen dat kostbare bestaande systemen in vernieuwingstrajecten onbruikbaar worden.

Ambitieuze pioniersrollen hoeven dus niet vanzelfsprekend te eindigen in roekeloze en geldverslindende projecten, maar kunnen met nauwgezette afstemming juist leiden tot landelijke vernieuwingen in de publieke dienstverlening. Centrale regie door het Interprovinciaal Overleg (IPO) of het Rijk is daarbij onontbeerlijk. De burger is er immers bij gebaat dat de overheid met één gezicht, herkenbaar naar buiten treedt. Dat vergemakkelijkt en bevordert het gebruik en de kwaliteit van publieke informatievoorzieningen.

Bemoeizuchtige burger bepaalt overheidscommunicatie

Politiek-digitaal.nl, 14 mei 2005
Bemoeizuchtige burger bepaalt overheidscommunicatie


Transparantie! Interactie! Participatie! Bestuurlijk Nederland wordt er wel eens moe van. Burgers eisen openheid in van alles en nog wat, maar eenmaal op hun wenken bediend zijn ze niet meer geïnteresseerd. Hoe komt dat?

Door Steven de Jong

Politiek-Digitaal vroeg het ambtenaren die actief bezig zijn met milieucommunicatie en liet er een sociologisch model op los. Conclusie: het zijn de bemoeizuchtige burgers die vorm en inhoud van overheidscommunicatie bepalen. Jan met de Pet wordt niet bereikt.

Geert Janssen is werkzaam bij de Dienst Water en Milieu van de Provincie Utrecht. Hij is actief bezig met het ontsluiten van milieu-informatie in het kader van het Verdrag van Aarhus. Naar aanleiding van dit verdrag zijn overheden sinds 14 februari verplicht milieu-informatie actiever openbaar te maken. Volgens Janssen zullen de meeste burgers zich “waarschijnlijk niet verdiepen” in alle aangeboden informatie. “Maar”, zo merkt hij op, “de burger verwacht wel dat de beschikbare informatie toegankelijk is”.

Focus


In het boek ‘De acceptatie voorbij’, een uitgave van het ministerie van Binnenlandse Zaken, probeert Frits Spangenberg - directeur van onderzoeksbureau Motivaction - deze paradox te verklaren. Hij stelt dat de overheid zich in haar communicatie grotendeels laat leiden door de meningen van de interactieve burgers. Zowel kwantitatief, als kwalitatief. Interactieve burgers zijn mensen met een hoge sociaal-economische status die sterk georiënteerd zijn op meebeslissen, actief participeren en het doorgronden van informatie. Het gaat om nog geen kwart van de bevolking, maar in de overheidscommunicatie genieten zij wel de focus.

Typen burgers

Het begrip ‘interactieve burgers’ wordt gehanteerd in het door Motivaction ontwikkelde Mentality-model. Burgers zijn er in allerlei soorten en maten, maar als het gaat om bemoeienis met het overheidsapparaat kun je ze volgens dit model het beste indelen de volgende vier segmenten: de niet-participerende burger, de gezagsgetrouwe burger, de pragmatische burger en de interactieve burger. Ze onderscheiden zich door hun sociaal-economische status, denk- en waardenpatroon.

Niet-participerende burger


Van de niet-participerende burger heb je als bestuurder of ambtenaar weinig last, maar ze belichamen wel voor een aanmerkelijk deel de kloof tussen burger en overheid. Folders en instructies worden niet begrepen of opgevolgd, deze burger heeft niet goed in de gaten wat de overheid communiceert.

Gezagsgetrouwe burger

Gezagsgetrouwe burgers, daar kun je er als gezagsdrager niet genoeg van hebben. Dit type volgt het gezag en gaat uit van de effectiviteit en correctheid ervan. Hij hecht waarde aan netheid en voorspelbaarheid.

Pragmatische burger

Pragmatische burgers zitten in de gevaren zone. De wereld om hen heen interesseert ze niet zo, maar hun aandacht wordt wel getrokken door gebeurtenissen die de eigen levensstandaard negatief beïnvloeden. Niet dat ze zichzelf weten te organiseren of mobiliseren, maar als je ze een petje, spandoek en gratis vervoer cadeau doet zijn ze eenvoudig te bewegen tot actie of opstand. Vakbonden maken daar dankbaar gebruik van.

Interactieve burger

Interactieve burgers hebben de grote mond maar weten dat je om iets te bereiken ook draagvlak nodig hebt. Een interactieve burger is sterk georiënteerd op meebeslissen en actief participeren. Om tot een gewogen besluit te komen leest de interactieve burger achtergrondinformatie. De interactieve burger wil van de overheid geen folders, maar raadpleegt een website. Na een misstand of incident ontplooit deze burger zich als spreekbuis van de samenleving. Hij mobiliseert pragmatische burgers die geraakt worden door de misstand en klimt op de barricades.

Interactieven gebruiken pragmatisten


Als blijkt dat interactieve burgers succes boeken, voelt de gezagsgetrouwe burger zich uitgesloten en beticht de interactieven van vriendjespolitiek en onrechtvaardigheid. Volgens Frits Spangenberg is het voor de overheid belangrijk te beseffen dat de populatie van interactieven en pragmatisten een omvang heeft van vijftig procent van de bevolking. Nog belangrijker is misschien, dat de interactieven die daadwerkelijk iets willen aankaarten zonder al te veel moeite deze groep in beweging kunnen krijgen. Pragmatisten zijn dan makkelijker over de streep te trekken, dan soortgenoten.

Interactieve burger niet representatief
De opmerking van Janssen, dat de meeste burgers geen gebruik zullen maken van de aangeboden informatie, strookt met het gegeven dat de interactieven – degenen die om toegankelijkheid vroegen – slechts een klein deel van de bevolking uitmaken. Als de Provincie zich laat leiden door de mensen die inspraakavonden bezoeken en aan de lopende band bezwaarschriften opsturen of klagende telefoontjes plegen, dan zullen de communicatieproducten weinig aftrek onder de totale bevolking vinden. Met “de meeste burgers die zich niet zullen verdiepen” heeft Janssen het waarschijnlijk over de niet-participatieven, de gezagsgetrouwen en de pragmatisten. Met “de burger die toegankelijkheid verwacht” duidt hij mogelijk op de interactieve burger. Hoogstwaarschijnlijk zal de vorm van de ontsloten informatie voor hen wel begrijpelijk en toegankelijk zijn, maar ook dan is het nog de vraag of ze er daadwerkelijk gebruik van maken.

Zwerfvuil en kapotte lantaarnpalen
Jan Eggens, ambtenaar bij de Noord-Hollandse afdeling Milieu en Bodemsanering, merkt ook op dat de werkelijke interesse van burgers veelal niet verder reikt dan direct zichtbare en hinderlijke zaken. “Een gemiddelde binnenstadbewoner is blijkens enquêtes meer geïnteresseerd in kapotte lantaarnpalen, hondenpoep, frituurwalm van de naastliggende Chinees en zwerfvuil, dan van fijnstof-emissie en dergelijke.”

Interactieven zetten pragmatisten in


Fijnstof is momenteel het item waarvoor de gemeente Den Haag voor de rechter wordt gedaagd. Milieudefensie greep de luchtkwaliteit van de straten met de hoogste fijnstof-concentratie aan om aandacht te vragen voor hun campagne ‘Nederland in ademnood’. Bewonersorganisaties sloten zich aan bij Milieudefensie en zelfs raadsleden gingen de straat op om te folderen. De interactieven namen dus het voortouw, maar communiceerden naar buiten dat “de bewoners” – ofwel de pragmatisten - de gemeente Den Haag voor de rechter zouden dagen. Bewoners die evenwel schrokken van de mededeling dat nu juist zij in de meest vervuilde straat woonden, maar daar eerder nooit hun beklag over hadden gedaan. Het is zoals Eggens zegt, “zwerfvuil en hondenpoep” wat de gewone burger bezighoudt.

Vraaggericht

Ook Rogier Wilms vindt de informatiebehoefte een punt van discussie. Hij houdt zich voor de Provincie Flevoland bezig met het ontsluiten van milieu-informatie. "De burger zal lang niet interesse hebben voor alle informatie. Vanuit belangengroeperingen, bedrijven en adviesbureaus zal er weer interesse zijn voor andere informatie. Naar verloop van tijd zal geëvalueerd worden naar welke informatie de meeste vraag is."

Doelgroepcommunicatie

Frank Van Lissum, afdeling Stedelijke Leefomgeving van de Provincie Limburg, wijst op het belang van doelgroepcommunicatie. “Belangrijk is hoe de informatie wordt aangeboden en in welke vorm. Zo is het denkbaar dat er met verschillende doelgroepen wordt gewerkt. Bijvoorbeeld bij bodeminformatie kan onderscheid gemaakt worden tussen burgers, makelaars, projectontwikkelaars en beleidsmakers. Ook moet nog gewerkt worden aan protocollen over de kwaliteit van de informatie die openbaar wordt gemaakt. Verwacht wordt dat steeds meer integratie tussen de verschillende milieusectoren plaatsvindt.”

Kweken van informatiebehoefte


Henk Wubbolts van de Provincie Overijssel ziet niet zozeer heil in doelgroepcommunicatie, maar is van mening dat informatiebehoefte gekweekt kan worden bij burgers. Hij is er van overtuigd dat de acties van zijn Provincie vanzelf de informatiebehoefte zullen versterken. “Het bekende gezegde ‘onbekend maakt onbemind’, kan men in dit verband op twee manieren omkeren: bekend maakt bemind, maar ook bemind vraagt om meer bekendheid”, zo analyseert hij.

Ambtenaar lijkt op interactieve burger


Interessant is ook het gegeven dat de groep interactieve burgers de meeste overeenkomsten heeft met de hoger opgeleide ambtenaren die bij de overheid aan het roer staan. Dat is voor de overheid een herkenbare groep, maar deze vertegenwoordigt slechts een klein deel van de totale bevolking. Het is in de overheidscommunicatie dus van belang te beseffen dat het gros van de mensen een ander denk- en waardenpatroon heeft dan de kleine groep van interactieven. Ambtenaren zullen er dus voor moeten waken dat zij in hun communicatiemethode niet denken vanuit de interactieve burger.

Gebruik informatiekanalen


Het gros van de burgers maakt op een geheel andere wijze gebruik van informatiekanalen, dan de interactieve burgers. Een interactieve burger komt liever zelf tot een overweging, nadat hij informatie bestudeerd heeft. Voor pragmatisten, niet-participatieven en gezagsgetrouwen gaat dat te ver. Als ze voor het antwoord een vergunning moeten doorspitten of emissie-cijfers moeten gaan vergelijken met normen, haken ze al snel af.

Vraagformulering en antwoordgeneratie

Positief is dat het Verdrag van Aarhus dit erkent. Overheden zijn nu verplicht burgers te helpen in het formuleren van een informatieverzoek. De vraag is hoe overheden dit in de praktijk gaan en willen brengen. Worden de telefonische informatiepunten extra bemand, of gaat de overheid concreet aan de slag met het uitbouwen van de elektronische overheid. Websites waar de burger niet eindeloos moet klikken door vergunningen, normentabellen en emissie-cijfers, maar waar het antwoord automatisch gegenereerd wordt op basis van een applicatie waarin de vraag van de burger geformuleerd wordt. Een burger met een simpele vraag, verwacht immers een simpel antwoord.

Rechtomteweten.nl – lokale industrie en de extra kans op kanker

Politiek-digitaal.nl, 12 mei 2005
Rechtomteweten.nl – lokale industrie en de extra kans op kanker


Risicokaarten voor calamiteiten met gevaarlijke stoffen zijn er al, maar burgers hebben niet tot nauwelijks inzicht in de milieugevaren die hen permanent bedreigen. Dat was voor Eric van Kaathoven van de Gelderse Milieufederatie reden om de pilot Rechtomteweten.nl te starten.

Door Steven de Jong
Zijn risicokaart bracht het extra risico op kanker ten gevolge van lokale industrie in beeld. Politiek-Digitaal nam het unieke project onder de loep en sprak met Van Kaathoven. “Nu moet de Rijksoverheid dit initiatief oppakken als landelijk project. Tot op heden is dat niet gebeurd.”

Op 29 februari 2004 werd Rechtomteweten.nl gelanceerd. “De site is inmiddels 90.000 keer bezocht”, zegt Van Kaathoven trots. Het is de eerste keer dat alle belangrijke bedrijven in een gebied op een site staan en de uitstoot van alle schoorstenen bij elkaar is opgeteld en vertaald naar de gevolgen voor mensen daar waar ze wonen. De site diende als proefproject om aan te tonen dat milieu-informatie niet alleen openbaar, maar ook toegankelijk gemaakt kan worden. En bovenal, inzichtelijk.

Burgers zijn geïnteresseerd


”Hoewel niet meer ‘up to date’, blijft de site online om anderen te inspireren. Op naar recht om beter te weten”, melden de initiatiefnemers sinds de afsluiting van de pilot op 19 juli 2004 op de site. In de eerste 137 dagen is de site 74.000 keer aangeklikt, wat neerkomt op 540 bezoeken per dag. Voor een niet landsdekkende website over milieugegevens, die zich richt op slechts één thema, mag dat een groot succes heten. Burgers zijn blijkbaar geïnteresseerd in de risico’s in hun lokale leefomgeving. De proefsite opende dan ook met de melding: “Welkom bij Rechtomteweten.nl. U heeft het recht om te weten welke bedrijven zich in uw omgeving bevinden en welke gezondheidsrisico's u daardoor loopt.”

Lijstje van meest risicovolle bedrijven


Bedrijven worden minder aangenaam verwelkomd. De meest vervuilende bedrijven prijken op een lijstje. Zo lezen we dat Shin-Etsu BV, een PVC fabrikant in Botlek, met stip op nummer 1 staat. Het bedrijf is verantwoordelijk voor 39 procent van het kankerrisico door industrie in de regio Rijnmond. Shell Nederland Chemie BV in Pernis wordt iets minder aan de schandpaal genageld, het chemieconcern levert slechts een bijdrage van 17 procent aan het extra risico op kanker. Geen reden om in de handen te klappen, want Shin-Etsu BV blijkt een dochteronderneming van Shell zijn. Eigenlijk is Shell dus verantwoordelijk voor 56 procent van het extra risico op kanker in de regio Rijnmond.

De buurman van de PVC-fabriek


Nu eens kijken of het nou echt wel zo dramatisch is als het lijkt. Om een beetje een worst-case scenario te simuleren, nemen we als voorbeeld de buren van Shin-Etsu BV, volgens de Gouden Gids gevestigd op de Welplaatweg 12. Dus, wat is voor deze bewoners van de Welplaatweg - aangenomen ze op die plek permanent verblijven - de extra kans per jaar om kanker te krijgen?

De postcode van de Welplaatweg in Botlek is 3197 KS. Vullen we dat in op Rechtomteweten.nl, dan krijgen we de melding: “Het jaarlijks kankerrisico veroorzaakt door de onderzochte bedrijven bedraagt voor het door u geselecteerde postcodegebied 0 tot 2 op de 10 miljoen mensen.” Te bedenken dat in dit antwoord ook Shell en een aromatische koolwaterstof fabriek van Exxon zijn meegenomen, valt het risico reuze mee.

Worst-case ligt 20 procent onder de norm

Het is zelfs ver onder de norm. Wettelijk mag de concentratie in de lucht overeenkomen met een jaarlijks kankerrisico van 1 op de miljoen. Het antwoord is vergezeld met een kaartje, waarin de risicocontouren ingetekend zijn. Het zijn gekleurde kringen, die een oplopend risico vertegenwoordigen van 1 op de 10 miljoen tot en met 9 op de 10 miljoen. In de meest donkere kring, daar waar de fabriek van Exxon staat, is er een plaatsgebonden risico van 7 tot 8 op de 10 miljoen per jaar om kanker te krijgen, ofwel het risico ligt daar nog 20 procent onder de wettelijke norm.

Gegevensverzameling


Hoe zijn de risico's berekend? Uit de database van de nationale emissieregistratie zijn voor ieder bedrijf gegevens gehaald over de uitstoot van schadelijke stoffen naar lucht en water voor het jaar 1998. 1998 is het meest recente jaar waarvoor de database relatief gedetailleerd en compleet is.

Meer actuele gegevens over de uitstoot van geselecteerde bedrijven hebben de Provinciale Milieufederaties gehaald uit milieuvergunningen, controleverslagen, meetrapporten, milieujaarverslagen en andere openbare rapporten. Telkens zijn de meest actuele getallen gekozen, maar in het geval dat het verschil tussen het hoogste en laagste getal meer dan een factor twee bedroeg, kozen de Milieufederaties voor het hoogste getal.

In 'de 10 lessen' die de initiatiefnemers van Rechtomteweten.nl trokken uit de pilot, wordt dit probleem benadrukt. “Gegevens zijn vaak niet onderling goed te vergelijken, gedateerd of onvolledig.” Volgens Van Kaathoven is dit een probleem dat opgelost moet worden, voordat er betrouwbare risicokaarten gemaakt kunnen worden. “Met Aarhus werkt elke gemeente en Provincie nog steeds op zijn eigen manier. Centrale leiding en protocollen zouden essentieel zijn.” Het Verdrag waar Van Kaathoven op doelt regelt de toegang tot milieu-informatie, de inspraak bij besluitvorming en de toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden. Het Verdrag is via Europese richtlijnen sinds 14 februari 2005 grotendeels verankerd in de wet milieubeheer (Wm) en de wet openbaarheid bestuur (Wob). Wel zit er een grote speelruimte tussen de minimumvereisten en de eigen invulling die overheidsinstanties aan de richtlijnen mogen geven.

Gegevenscontrole

De cijfers die de Milieufederaties in de ontwikkelingsfase boven tafel kregen zijn in een tabel gezet en voor controle naar betrokken overheden gestuurd. De voorgestelde wijzigingen zijn door de afdeling Milieukunde van de Radboud Universiteit Nijmegen op relevantie beoordeeld. De door de overheid gecontroleerde gegevens zijn vervolgens naar de betrokken bedrijven gestuurd. Indien door een bedrijf een ander getal werd aangeleverd is gevraagd om dit te beargumenteren, bijvoorbeeld aan de hand van meetrapporten of bedrijfsaanpassingen. Ook deze voorgestelde wijzigingen zijn door de afdeling Milieukunde van de Radboud Universiteit op relevantie beoordeeld.

Risicoberekening


Daarna is berekend wat het jaarlijks gemiddelde aan kankerverwekkende stoffen in de buitenlucht is als gevolg van de uitstoot door de onderzochte bedrijven. Deze gemiddelde hoeveelheid in de buitenlucht werd afgezet tegen de norm die staat voor een vast risico op kanker van 1 op de miljoen. Zo mag er bijvoorbeeld maximaal 11,7 microgram benzeen per kubieke meter lucht zijn, om het risico van 1 jaarlijks kankergeval op de miljoen mensen niet te overschrijden. Is de concentratie in de lucht 3 microgram, dan kan deze norm voor het jaarlijks kankerrisico toch overschreden worden als er nog andere kankerverwekkende stoffen in de lucht zijn. De Milieufederaties hebben gerekend met normen voor twintig kankerverwekkende stoffen.

Betrouwbaarheid


De kans op kanker als gevolg van blootstelling aan schadelijke stoffen wordt uitgedrukt in een getal, bijvoorbeeld een kankerrisico van één op de miljoen per jaar. Dit getal is berekend op basis van de huidige stand der wetenschap. Rechtomteweten.nl vermeldt keurig de onzekerheden die spelen bij de risicoberekening. “Onze kennis van de uitstoot, verspreiding en effecten van kankerverwekkende stoffen is echter onvolledig. We weten bijvoorbeeld niet zeker welke en hoeveel kankerverwekkende stoffen uit de schoorsteen van een bedrijf komen en of deze stoffen ook bij zeer lage concentraties kanker veroorzaken. Om toch een getal te kunnen berekenen doen wetenschappers aannames. Dergelijke aannames zijn per definitie onzeker. Dit betekent dat het risico in werkelijkheid lager of hoger kan zijn dan het risico dat de wetenschappers berekenen.”


Schermfoto: Rechtomteweten.nl is zeer gespecificeerd over de milieu-effecten van geselecteerde bedrijven.

Openbaarheid milieu-informatie


Van Kaathoven is kritisch in de evaluatie van zijn project. Zo geeft hij toe dat de risicoberekening "omstreden" is, "door het unieke feit dat de site het extra risico op kanker berekent". Verder valt in de 'tien lessen' te lezen dat gegevens moeilijk boven tafel zijn te krijgen, "dat zal hopelijk verbeteren in verband met de inspanningen om te voldoen aan het Verdrag van Aarhus".

Gebrek informatie leidt tot meer onrust dan verstrekken ervan

In de evaluatie wordt opgemerkt dat gebrek aan informatie tot meer onrust leidt dan het verstrekken ervan. "De burger is volwassen genoeg gebleken om met alle daarvoor geboden kaders de geboden informatie op waarde te schatten. Enige vorm van paniek of onrust is niet ontstaan, in een aantal gevallen is deze zelfs kleiner geworden. Een schoorsteen waar mensen niet van weten wat eruit komt blijkt een stuk enger dan één waar we het wel van weten en de risico's gewoon op een website kunnen nalezen."

Communiceren van onzekerheden


De Milieufederaties stellen in de evaluatie vast dat Rechtomteweten.nl heeft aangetoond dat het heel goed mogelijk is om ondanks de aannames een verantwoord beeld te schetsen. "Het is wel van groot belang om alle gemaakte keuzes en aannames te verantwoorden zoals ook op rechtomteweten.nl gebeurt. Het zou goed zijn om een schatting te maken van de totale onzekerheid en deze aan de site toe te voegen. Zorgvuldigheid is van groot belang. Daarom zijn de cijfers voor publicatie aan diverse partijen voorgelegd. Deze stap is noodzakelijk."

Nederland geen koploper


Van Kaathoven wijst erop dat naar aanleiding van Rechtomteweten.nl PvdA en D66 vorig jaar hebben gepleit voor een centrale rol voor het Rijk om de pilot door te zetten. Nederland is geen koploper in online milieucommunicatie. Onze zuiderburen, de Belgen, hebben het daarentegen beter voor elkaar. België staat bekend om zijn geo-loketten. Dat in Nederland “niemand het voortouw heeft genomen”, wijst Van Kaathoven als reden aan. Hij merkt op dat zoiets lastig is in de huidige bestuurlijke verhoudingen. “Bovendien”, zegt Van Kaathoven, “het onderwerp werd nooit zo belangrijk gevonden. Pas na Enschede kwamen er risicokaarten op internet.” Ook van onze oosterburen kunnen we wat leren, zo zijn in Duitsland websites die de actuele uitstoot van afvalverbrandingsinstallaties laten zien.

“Overheden pakken het te langzaam op”

Op het moment zijn de betrokken partijen niet meer actief bezig met Rechtomteweten.nl. In de ‘tien lessen’, getrokken uit de evaluatie, namen de initiatiefnemers duidelijk stelling: de Rijksoverheid moet Rechtomteweten oppakken als landelijk project. Tot op heden is dat niet gebeurd, hoewel de kamerleden Samsom (PvdA) en Van der Ham (D66) daartoe wel politiek actie hebben ondernomen. Over de houding van het kabinet, zegt Van Kaathoven: “De overheden pakken het wel op, maar heel langzaam. Wij zijn daar niet tevreden over.” Toch lijkt zijn project niet voor niets te zijn geweest. De initiatiefnemers worden vaak naar hun ervaringen gevraagd door vakbladen. Ook overheden tonen belangstelling, vaak gaat het dan om een uitnodiging voor een congres over Aarhus.

Verkeer, UMTS en open haarden


Over de toekomst van risicokaarten op het gebied van milieu en gezondheid, heeft Van Kaathoven wel wat ideeën. “De lacune zit hem nog steeds het meest in de informatie over de directe leefomgeving. Met name verkeer zou interessant zijn, omdat dat de meeste effecten heeft. Bovendien zijn er daarvoor zowel modellen als telgegevens. Dus een soort Rechtomteweten.nl, maar dan met verkeer. Dat zou ik heel interessant vinden.” Van Kaathoven denkt, als het om milieugezondheidscommunicatie gaat, ook aan risicokaarten met UMTS-palen en open haarden van huishoudens.

Risicocommunicatie: sussen, alarmeren of realistisch communiceren

Politiek-digitaal.nl, 11 mei 2005
Risicocommunicatie: sussen, alarmeren of realistisch communiceren


Burgers hebben een scheef beeld van de risico’s in hun leefomgeving. En daarom is risicocommunicatie essentieel voor een beter risicobewustzijn. Belangrijk is dat een burger de informatie opneemt en er naar handelt. Dat vraagt om een doelgroepgerichte communicatiestrategie.

Door Steven de Jong

De vraag is niet alleen hoe je dat afstemt op verschillende typen burgers, maar ook of je bepaalde informatie beter kan verzwijgen om paniek te voorkomen. Een analyse van de dilemma’s in de risicocommunicatie over milieu-effecten op de volksgezondheid.

‘Beslissen met gevoel voor onzekerheden’, luidt de ondertitel van het VROM-rapport ‘Nuchter omgaan met risico’s’. Met die nota gaf staatssecretaris Pieter van Geel de aanzet voor de discussie en de vernieuwing van het beleid voor milieurisico’s. De vraag is ook, hoe communiceer je met gevoel voor onzekerheden?

Complex


De relatie tussen gezondheid en milieu is zeer complex. Van het stralingseffect van basisstations van mobiele telefonie is weinig tot niets bekend en de honderden doden die per jaar vallen door blootstelling aan kankerverwekkend radongas lijken zelfs geaccepteerd te worden omdat er geen praktische alternatieven zijn. Aan radon besteedt de overheid niet tot nauwelijks aandacht in de risicocommunicatie, een politieke keuze.

Noodzaak


De noodzaak tot risicocommunicatie ligt ‘m dus in het feit dat kennis over de gevaren in de leefomgeving de autonomie en keuzevrijheid van mensen bevordert. Het stimuleert zelfredzaamheid en burgers kunnen kiezen of ze bijvoorbeeld wel willen wonen onder de rook van een chemische fabriek, naast een LPG-station of langs spoor waarover chloor vervoerd wordt.

Realistischer risicobeleving


Risicocommunicatie kan de risicobeleving van burgers realistischer maken. Dat is nodig, want deze loopt niet synchroon met de wetenschappelijke inschatting van risico’s. GSM-masten, hoogspanningslijnen en chloortransporten veroorzaken meer gevoelens van onveiligheid, dan het roken van een sigaret of van vrijkomend radioactief radongas in een woning, zo blijkt uit de GGD-handreiking 'Gezondheid en Milieu' van 2004. Dat terwijl de kans om dood te gaan door radon 750 keer zoveel is en bij roken zelfs 20.000 keer zo veel is dan bij wonen in de omgeving van een hoogspanningslijn. Deze risico’s communiceren, lijkt in dit geval dus geen overbodige luxe.

Communiceren

Hoe communiceer je milieugezondheidsrisico’s het meest efficiënt? Dat wil zeggen, hoe bereik je burgers van uiteenlopende groepen en hoe nemen die groepen het gemakkelijkst informatie op? Om daar iets zinnigs over te kunnen zeggen is het zaak de burger te ‘begrijpen’ en te weten wat hem of haar bezighoudt.

Kennis nauwelijks aanwezig

In het rapport ‘0-meting actieprogramma gezondheid en milieu’ stelt het onderzoeksbureau Motivaction vast dat kennis bij burgers omtrent milieuoorzaken en gezondheidseffecten niet echt aanwezig is. Het is geen onderwerp waarover de respondenten zich, ongeacht waar ze wonen, actief informeren; men baseert zich vooral op eigen waarnemingen. Kennis wordt opgepakt indien het een individu in zijn of haar leefomgeving betreft.

Kennis heeft weinig invloed


Toch is uit onderzoek van het RIVM gebleken dat kennis over de kans op gezondheidsschade weinig invloed heeft op burgers. Dat betekent dat mensen zich niet altijd ongerust maken over de problemen die de meeste gezondheidsschade opleveren, zoals ook uit het eerder genoemde voorbeeld blijkt.

Afwegingen


Voor de overheid is gezondheidsschade wel een belangrijk criterium. Enerzijds kiest de overheid er niet voor zich in risicocommunicatie volledig toe te spitsen op het overtuigen van de ernst van een milieugezondheidsrisico. Anderzijds wil zij ook niet helemaal toegeven aan de risicobeleving bij de burger. Het ministerie van VROM zegt dat in de risicocommunicatie een expliciete afweging moet worden gemaakt, waarin alle relevante factoren een rol spelen. Naast de gezondheidsschade en factoren die de beleving bepalen, zijn dat ook zaken als de kosten om het probleem aan te pakken en de beschikbare alternatieven.

Behagen versus beschermen burger


De keuze om in de risicocommunicatie niet expliciet op concrete gezondheidsschade te focussen heeft meerdere oorzaken.

Enerzijds kampt de overheid in het veiligheidsbeleid met het democratisch deficit. Ze heeft tot taak de burger te beschermen, maar de burger bepaalt indirect waarvoor hij of zij beschermt wil worden, en dus ook waarover gecommuniceerd wordt. Hoe serieus de overheid de burger neemt in voorlichtingscampagnes, blijkt uit haar besluit om af te zien van het verstrekken van een ‘calamiteitengids’. Een folder over zelfredzaamheid, die vorig jaar naar 25 miljoen Britse huishoudens werd gestuurd. In Nederland bleek de burger er geen behoefte aan te hebben, wat de overheid heeft doen besluiten er vanaf te zien. Het behagen van de burger gaat hier dus boven het beschermen van de burger.

Behoefte als indicatie voor bereikbaarheid

Tegenargument kan zijn, dat als de burger er geen behoefte aan heeft de calamiteitengids dan waarschijnlijk ook wel niet gelezen wordt. Dan is behoefte een indicatie voor bereikbaarheid.

Communicatie als geneesmiddel


Anderzijds wil de overheid niet alleen op directe gezondheidsschade focussen, omdat het beleven van een onveilige situatie ook het psychisch welbevinden kan beïnvloeden. Indirecte gezondheidsschade door risicobeleving. In die zin kan onschadelijke rook uit een schoorsteen stressverhogend werken. Risicocommunicatie kan via het opkrikken van het kennisniveau dit gezondheidseffect mogelijk wegwerken.

Zwijgen om paniek te voorkomen


Per jaar sterven 800 mensen per jaar aan radon. De gemiddelde radonconcentratie in huizen in Nederland, overstijgt met een factor 50 het Maximaal Toelaatbaar Risico. Het komt vrij uit bouwmateriaal, en dus uit muren en plafonds. Ondanks het hoge risico, in andere situaties was er allang ingegrepen, hebben weinig mensen weet van het bestaan van radon en het gevaar ervan. De vraag is ook wat risicocommunicatie voor nut heeft, als er geen praktische alternatieven zijn. We kunnen moeilijk alle huizen afbreken.

“Je moet de waarheid vertellen”


De overheid kiest hier dus bewust voor zwijgen, in plaats van communiceren. Zelfs in de Postbus 51-campagne over het binnenmilieu, wordt radon niet genoemd. Toch reageren mensen zeer paniekerig, als ze wel op dit risico worden gewezen. Een voorbeeld is de reactie van een respondent uit het eerder genoemde onderzoek van Motivaction, nadat haar het risico van radon uitgelegd werd. “Ik ben een paniekmens, ik woon in beton, ik ga direct bellen. Je moet de waarheid vertellen, vertel waar mensen terechtkunnen voor vragen. Ik vind het kwalijk dat de overheid of wie dan ook dit nooit aan ons heeft verteld”, aldus de respondent, een 32 jarige Turkse vrouw uit Rotterdam. Een angstwekkend beeld, want stel dat een aanzienlijk deel van de bevolking zo reageert? Anderzijds, we leven in een mediacratie, een informatiesamenleving. De media kan het van de een op de andere dag op de agenda zetten.

Informatiebehoefte


De mate waarin burgers overheidsinformatie tot zich nemen, hangt nauw samen met de interesse die zij voor een bepaalde kwestie hebben. Voorlichting met betrekking tot milieugerelateerde gezondheidsrisico’s, lijkt daarin een voorsprong te hebben. Motivaction stelde vast dat naar lokale en persoonsgebonden informatie de meeste interesse uitgaat.

Lokale interesse, mondiale zorgen


Toch zit er een addertje onder het gras, want hoewel burgers interesse tonen voor hun directe omgeving is men geneigd bepaalde risico’s te bagatelliseren en niet te onderkennen; het wordt geaccepteerd als onderdeel van de leefomgeving. Indien men zich al zorgen maakt, betreffen het eerder mondiale problemen dan lokale problemen; olielozingen, zeespiegelstijgingen en terreuraanslagen staan in de top zes.

‘Interesse tonen voor’, lijkt in dit geval dus weinig van doen te hebben met ‘zorgen maken om’. Daarbij komt dat ‘interesse’ niet altijd leidt tot actieve informatievergaring. Ook stelt Motivaction vast dat burgers zich meer bezorgd maken om de generaties die na hen komen, dan om hun eigen generatie. Zij geven aan meer bewust met milieu bezig te zijn, sinds ze zelf kinderen hebben. Concluderend is dus te stellen dat burgers lokale interesses hebben, maar mondiale zorgen. Men is geneigd de risico’s vervuilende bronnen in de leefomgeving te bagatelliseren.

Milieu-informatie bereikt burger vooral passief

De overheid heeft volgens de respondenten van Motivaction een informatieplicht naar de burgers. De overheid heeft in de perceptie van de respondenten een betrouwbaar en objectief imago, als informatieverstrekker. Informatie wordt als objectief beschouwd indien het gestoeld is op meetbare en controleerbare feiten.

Afhankelijk van opleidingsniveau laat men zich volgens Motivaction informeren via diverse kanalen en middelen. Televisie en krant (landelijk, regionaal, huis-aan-huis) spelen een belangrijke rol bij passieve informatievergaring (geboden informatie), internet bij actieve informatievergaring (gezochte informatie). Leeftijd speelt een rol: ouderen laten zich graag informeren via folders, jongeren zijn actief met internet. Overheidscommunicatie, campagnes en spotjes, spreken aan voor zover de onderwerpen het individu persoonlijk aangaan en de campagne het individu op zijn eigen verantwoordelijkheid wijst. Betutteling wijst men af evenals ‘overkill’.

Kranten, televisie / radio en Postbus 51 blijken, in deze volgorde, de belangrijkste informatiekanalen waarmee milieu- en gezondheidsinformatie tot de burger komt. Internet komt op de vierde plaats, wat gezien vorenstaande constateringen niet opmerkelijk is. Als de tolerantiegrens van burgers niet wordt overschreden, gaat men ook niet actief op zoek naar informatie.

Media-aandacht bepaalt prioriteit


Bijkomende factor is dat burgers over het algemeen veel waarde hechten aan mediabelangstelling voor een milieuprobleem. Exponent hiervan is het commentaar van een laag opgeleide 68-jarige vrouw uit Rotterdam: “Op televisie hoor je alles!” Meer representatief voor hoe milieu-informatie via passieve (media)kanalen geïnterpreteerd wordt is de uitspraak van een andere respondent: “In de krant stond dat de stoffen uit de autogassen met zoveel gedaald zijn, nu de A13 hier een 80 km-zone heeft, dat is fijn.” Wanneer een onderwerp niet meer in de krant besproken wordt, raakt het uit beeld en lijkt het aan belang in te boeten.

Burger verwacht toegankelijkheid, maar blijft passief


De overheid beweegt zich door de complexe houding van de burger – wel interesse, geen actieve informatiebehoefte – in een lastig parket. De burger beschouwt informatievoorziening over milieugezondheidsrisico’s die zij zelf bagatelliseert al snel als betutteling of ‘overkill’, terwijl de overheid ernstige verwijten krijgt wanneer milieugezondheidsrisico’s ontaarden in daadwerkelijke gezondheidsschade. Het gezegde ‘als het kalf verdronken is, dempt men de put’ lijkt dus ook van toepassing op de houding van burgers in relatie tot gezondheidsrisico’s in hun directe leefomgeving.

De stelligheid waarmee burgers hameren op de informatieplicht van overheden, ontaardt veelal in een paradox. Een medewerker van de sector Dienst Water en Milieu, sector Strategie, van de Provincie Utrecht stelt enigszins cynisch vast dat de transparante visie van de Provincie nauwelijks concreet resultaat oplevert: “De meeste burgers zullen zich zeer waarschijnlijk niet verdiepen in alle aangeboden informatie, maar de burger verwacht wel dat de beschikbare informatie toegankelijk is.”

Doelgroepcommunicatie en burgerschapsstijlen


Wil risicocommunicatie de burger bereiken, dan is het zaak inzicht te hebben in de samenstelling van de bevolking. De maatschappij is continu in beweging. Voor beleidsmakers, strategen en marketeers lijken burgers en consumenten in toenemende mate onvoorspelbaar en grillig. Traditionele segmentaties op basis van sociaal-economische variabelen verliezen steeds meer aan verklarende kracht. Om het denken en handelen van burgers beter te kunnen verklaren, heeft Motivaction het zogenaamde Mentality-model ontwikkeld. In dit model onderscheidt het onderzoeksinstituut vier groepen, ofwel burgerschapsstijlen. De meest relevante kenmerken voor dit thema worden hieronder uitgelicht.

1) De gezagsgetrouwe burger
De gezagsgetrouwe burger hecht veel waarde aan netheid, orde en voorspelbaarheid. Zij zijn geneigd het gezag trouw te volgen. De focus binnen deze groep ligt op sturing en gezag. De gezagsgetrouwe burger hangt een brochure in de meterkast en leest deze nauwgezet. De sociaal-economische status varieert van laag tot gemiddeld. Deze burger is traditioneel en behoudend.

2) De interactieve burger

Een interactieve burger is sterk georiënteerd op meebeslissen, actief participeren en bemoeizuchtig. Deze burger is leergierig en grondig van aard. Om tot een gewogen besluit te komen leest de interactieve burger (wetenschappelijke) achtergrondinformatie. De interactieve burger wil van de overheid geen folders, maar zoekt liever een webadres waar hij zichzelf kan informeren. Deze burger heeft de hoogste sociaal-economische status in de samenleving, ze is postmodern en gericht op ontplooien en beleven.

3) De pragmatische burger

Pragmatische burgers zijn materialistisch en stellen het eigen belang op de voorgrond. De aandacht wordt getrokken door gebeurtenissen die de eigen levensstandaard beïnvloeden. In dergelijke gevallen wordt de pragmatische burger gemobiliseerd. In de overheidscommunicatie is de pragmatische burger lastig te bereiken. Ze is visueel georiënteerd en laat zich alleen verleiden als de problematiek grafisch en pakkend wordt weergegeven. De sociaal-economische status is gemiddeld.

4) Niet-participerende burger
Niet-participerende burgers kenmerken zich door impulsiviteit, gemak en comfort. De niet-participerende burger is afwachtend, maar heeft niet goed in de gaten wat de overheid communiceert over risico’s en rampen. Deze burger voelt zich pas geïnformeerd als hij via de televisie of een sms-bericht wordt geattendeerd op een zich manifesterende crisis.

Conclusie

Burgers hebben een scheef beeld van de risico’s in hun leefomgeving, zo concludeert Motivaction in het rapport ‘0-meting actieprogramma gezondheid en milieu’. Risico’s van zintuiglijk waarneembare bronnen of risico’s waarover onduidelijkheid bestaat, worden overschat. Risico’s waar burgers zelf debet aan zijn of voordeel van ondervinden worden gebagatelliseerd of zelfs geaccepteerd.

Risicocommunicatie is essentieel voor een beter risicobewustzijn, maar kan falen door niet rekening te houden met verschillende typen burgers en de wijze waarop zij informatie vergaren. Zo wil een interactieve burger geen folders van de overheid en gaat ze liever zelf op zoek naar informatie op internet, terwijl een niet-participerende burger niets van de folder snapt en pas gealarmeerd wordt als er een sms-bericht binnenkomt. In de terminologie van Motivaction worden burgers onderverdeeld in burgerschapsstijlen. Naast de genoemde typen bestaat er ook een gezagsgetrouwe burger (leest brochure nauwgezet) en een pragmatische burger (visueel georiënteerd, eigen belang op de voorgrond).

Enerzijds kan het communiceren van risico’s angst wegnemen en daarmee een positief gezondheidseffect boeken, zoals het verbeteren van het psychisch welbevinden. Anderzijds kan risicocommunicatie paniek veroorzaken. Zeker als er voor een vervuilende bron - zoals bouwmaterialen die kankerverwekkend radongas uitstoten - geen alternatieven zijn, moet afgevraagd worden of met communicatie het beoogde doel nog wel bereikt kan worden, namelijk het bevorderen van keuzevrijheid en zelfredzaamheid.

Meer nog dan in de communicatie over externe veiligheidsrisico’s, gaat het in de risicocommunicatie van gezondheidsrisico’s over communiceren met gevoel voor onzekerheden. De ongerustheid rondom stralingsthema’s als GSM-stations, UMTS en hoogspanningslijnen neemt toe, terwijl de overheid nagenoeg zwijgt over de risico’s omdat ze simpelweg de risico’s niet wetenschappelijk kan onderbouwen. Hier zal een nieuwe communicatiemethode voor ontwikkeld moeten worden, te meer omdat paniek ook een gezondheidseffect is. De overheid is geneigd risico’s pas te communiceren, als ze zeker weet dat een bron daadwerkelijk een risico vormt. Een kentering hierin is hard nodig, want ook onzekerheden kunnen en moeten gecommuniceerd worden.

Risicobeleving: het behagen versus het beschermen van de burger

Politiek-digitaal.nl, 10 mei 2005
Risicobeleving: het behagen versus het beschermen van de burger


Veiligheidsbeleid van de overheid is ten dele gebaseerd op risicoschatting. Toch krijgen de grootste risico’s niet vanzelfsprekend de meeste prioriteit, in tegendeel. Het is de risicobeleving van burgers die de overheid er toe zet putten te dempen, waar kalveren kunnen verdrinken.

Door Steven de Jong

Het bodemsaneringsbeleid, na Lekkerkerk. Het externe veiligheidsbeleid, na Enschede. Risicoberekening delfde er het onderspit voor risicobeleving. Het behagen van de burger ging boven het beschermen van de burger. Een eigenaardig democratisch deficit, dat ingekleurd wordt door vele factoren.

In West-Europa varieert de kans om te overlijden ten gevolge van een kernongeval tussen één op één miljoen en één op de honderd miljoen per jaar. De kans dat een Nederlands burger overlijdt door een externe veiligheidsrisico - zoals een ontploffing van een vuurwerkfabriek - ligt rond de norm van één op de miljoen per jaar. De kans dat een burger ziek wordt van een nabijgelegen bodemverontreiniging, is volgens deskundigen nihil. Noemen we in deze volgorde de plaatsen Tsjernobyl, Enschede en Lekkerkerk dan wordt duidelijk dat het gevoel van veiligheid meer omvat dan het berekende risico.

Risicobeleving


Het gevoel van veiligheid, noemen we risicobeleving. Een thema dat met enquêtes onderzocht wordt. Elementen als het kennisniveau, de vrijwilligheid en beheersbaarheid van blootstelling, het vertrouwen en de openheid van de informatiebron, media-aandacht, de waarneembaarheid van risico’s, leeftijd en sociaal-economische factoren spelen een rol in hoe mensen zelf risico’s beleven. Persoonlijke factoren zoals bijvoorbeeld gevoeligheid en angsten hebben ook invloed op de individuele risicobeleving. Risicovolle milieufactoren worden dus niet vanzelfsprekend als hinderlijk of risicovol beschouwd of erkend. Ofwel omdat de factoren niet zichtbaar zijn in de woonomgeving ofwel omdat men er aan gewend is geraakt en het als onderdeel van de woonomgeving heeft geaccepteerd en soms zelfs waardeert.

Vrijwilligheid van blootstelling


Het ervaren risico van milieufactoren neemt af naarmate burgers er direct voordeel van ondervinden of zelf debet zijn aan de verontreiniging. De vervuilende bron wordt dan door burgers geaccepteerd, of zelfs gewaardeerd. Sprekend in deze is het commentaar van een 43-jarige vrouw uit Rotterdam, welke als respondent fungeerde in een onderzoek van Motivaction (0-meting actieprogramma gezondheid en milieu): “We wonen naast een aanvliegroute van Zestienhoven, maar ik ondervind daar geen last van. Helikopters en sportvliegtuigen gaan wel over ons huis, dat vind ik leuk, ga ik kijken. Beiden zullen wel geluidshinder en luchtverontreiniging veroorzaken maar daar stoor ik me niet aan.”

Beheersbaarheid van blootstelling

Ook treedt er meer commotie op wanneer burgers het idee hebben dat zij zelf de risicovolle activiteit niet kunnen beheersen. GSM-masten, hoogspanningslijnen en chloortransporten veroorzaken meer gevoelens van onveiligheid, dan het roken van een sigaret of van vrijkomend radioactief radon in een woning, zo blijkt uit de GGD-handreiking 'Gezondheid en Milieu' van 2004. Dat is opmerkelijk, omdat het geheel tegengesteld is aan het grote risico van roken, met een kans op overlijden van 1 op de 700 mensen per jaar. Ook radon is met een sterftekans van 1 op de 20.000 per jaar (50 maal overschrijding norm), veel risicovoller dan een hoogspanningslijn waarbij het risico is vastgesteld op een overlijdenskans van 1 op de 15 miljoen per jaar.

Mogelijk speelt ook de geringe kennis met radon en de geheimzinnigheid rond straling (wel wilde verhalen, maar nauwelijks wetenschappelijke onderbouwing) een rol in de risicobeleving van burgers. Wel blijft de GGD bij de conclusie dat als een activiteit vrijwillig en beheersbaar lijkt, dit naar verwachting tot minder commotie zal leiden.

Vertrouwen in en openheid van informatiebronnen


In de nota 'Nuchter omgaan met risico's, beslissen met gevoel voor onzekerheden' van het ministerie van VROM wordt gewezen op het gericht wegwerken van angsten ten aanzien van milieufactoren. Aangetoond is dat aspecten als vertrouwen en openheid essentieel zijn voor de risicobeleving. De burger zou meer gerust zijn wanneer milieugegevens publiekelijk toegankelijk zijn en als zij vertrouwen hebben in de kwaliteit ervan en in de informatieverstrekker.

In die zin kan het Verdrag van Aarhus een rol gaan spelen in de beleving van risico’s. Het verdrag regelt de toegang tot milieu-informatie, de inspraak bij besluitvorming en de toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden. Het Verdrag is via Europese richtlijnen sinds 14 februari 2005 grotendeels verankerd in de wet milieubeheer (Wm) en de wet openbaarheid bestuur (Wob). Wel zit er een grote speelruimte tussen de minimumvereisten en de eigen invulling die overheidsinstanties aan de richtlijnen mogen geven. Er is nu discussie over die invulling, want openbaarheid staat niet gelijk aan toegankelijkheid. De vraag is dus hoe gortdroge milieudocumenten helder gecommuniceerd kunnen worden naar de burger toe.

De invloed van media-aandacht

Daarnaast hechten burgers veel waarde aan mediabelangstelling voor een milieuprobleem. Als een verontreiniging de krant of televisie haalt, wordt het risico in de beleving van burgers groter dan het werkelijk kan zijn. Wanneer een onderwerp niet meer in de media besproken wordt, raakt het uit beeld en lijkt het aan belang in te boeten. De media heeft in deze veel invloed in het ‘op de agenda’ zetten van een milieuprobleem, wat vaak tot een scheef beeld van de werkelijke risico’s leidt. Zo maken weinig burgers zich ongerust over hun binnenmilieu, terwijl tabaksrook, vocht, schimmel, huismijt en stof grote ziekteveroorzakers zijn.

Daarentegen raken zij wel in paniek als er een bodemverontreiniging rond of onder hun huis geconstateerd wordt, terwijl volgens deskundigen bijna niemand daar daadwerkelijk ziek van wordt. Dat bodemverontreiniging voor zoveel commotie zorgt, kan te maken hebben met de golf van berichtgeving na de eerste grote gifschandalen in Nederland, zoals die in Lekkerkerk en de Vogelmeerpolder. Ze brachten een schok teweeg in Nederland. Als gevolg daarvan ontstond in de media een focus op alles wat met bodemverontreiniging te maken had, kleine verontreinigingen werden aan de lopende band disproportioneel uitgelicht. Het beeld ontstond dat alle vervuilde grond levensbedreigend zou zijn. Resultante was dat mensen in actie kwamen en het beleid aangescherpt werd.

Inmiddels worden er weer minder drastische maatregelen genomen als er een bodemverontreiniging wordt ontdekt, maar de commotie onder de burgers blijft onevenredig groot. We spreken hier van een proces van zichzelf versterkende nieuwsjournalistiek, een belangrijk kenmerk van een mediahype. In een mediahype nemen nieuwsmedia het nieuws van elkaar over en bouwen zo een bepaald perspectief uit, ofwel een eigen werkelijkheid. Een beeld dat in de beleving van risico’s bij burgers leidinggevend kan zijn.

Verschillen in risicobeleving

Er zijn duidelijke verschillen waar te nemen in de risicobeleving van diverse groepen. Zo ervaren 65-plussers, volgens Motivaction, weinig milieufactoren in hun woonomgeving als bedreiging voor hun gezondheid. Zij lijken zich hierbij vooral te baseren op het zicht dat zij vanuit hun huis hebben; een groene, open omgeving en water geeft de indruk van rust en een gezonde lucht. Jongere mensen geven aan zich van eventuele milieurisicofactoren bewust te zijn geworden bij het zelf krijgen van kinderen. Gaat het om risico’s die niet direct zichtbaar zijn, zoals straling, dan zien hoog opgeleiden daar meer risico in dan laag opgeleiden.

Zorgen

De Europese Commissie heeft de bezorgdheid bij burgers met haar peilinstrument – de Eurobarometer – gepeild in april 2002. 89 procent van de respondenten gaf te kennen zich zorgen te maken over de mogelijke effecten van het milieu op hun gezondheid.

De meeste last ervaren burgers van geluidshinder, wat ook een gezondheidseffect in de zin van slaapgebrek en stress kan opleveren. Geluidshinder is ook het milieuprobleem dat in de aanpak volgens hen de meeste prioriteit moet krijgen. Dat ondanks het gegeven, dat burgers de uitlaatgassen van wegverkeer als grootste gevaar voor het krijgen van longaandoeningen en kanker ervaren.

Over elektromagnetische straling door hoogspanningsmasten of GSM-basisstations maken mensen zich het minste zorgen. Deels komt dat door de weinig wetenschappelijke onderbouwing die voorhanden is, maar ook door het gegeven dat stralingseffecten meer tot de verbeelding spreken dan merkbare en zichtbare verschijnselen als uitlaatgassen en geluid. Dat geldt ook voor radon, hoewel de schadelijke effecten daarvan wel aangetoond zijn. Hier speelt wellicht in de risicobeleving mee dat er niet tot nauwelijks media-aandacht voor is en de effecten bij het grote publiek onbekend zijn.

Relatie tussen gezondheid en milieu: grijs gebied vol risico’s

Politiek-digitaal.nl, 9 mei 2005
Relatie tussen gezondheid en milieu: grijs gebied vol risico’s


De relatie tussen gezondheid en milieu is na de industrialisatie niet alleen voortdurend onderwerp van studie geweest voor toxicologen, maar ook punt van discussie voor beleidsmakers en politici.

Door Steven de Jong

Wat is de relatie tussen gezondheid en milieu? Een greep uit een aantal rapporten van toonaangevende onderzoeksinstituten leert ons het volgende: ‘7.500 doden per jaar in Nederland door uitlaatgassen’, ’20 procent ziektelast te wijten aan milieufactoren’, ‘milieuverontreiniging oorzaak van 75 procent kankergevallen’. Hoewel verontrustend, leiden deze cijfers niet vanzelfsprekend tot aanscherping van milieubeleid of het intensiveren van de risicocommunicatie naar burgers toe.

De Europese Commissie erkent dat de gezondheidseffecten onderschat zijn, maar tot ingrijpende maatregelen komt het niet. Onzekerheden in de risicoschatting worden verwerkt in veiligheidsfactoren, maar overheidscommunicatie over milieurisico’s blijft in gebreke. Normen voor kankerverwekkende stoffen worden soms tot een factor vijftig overschreden, omdat er veelal geen praktische alternatieven zijn.

Complexe relatie gezondheid en milieu


Waar het risico op een calamiteit door het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen nog enigszins kwantificeerbaar en communiceerbaar is met behoud van een beperkt aantal aannames, zijn gezondheidsrisico’s van milieufactoren moeilijker te identificeren. Schadelijke gezondheidseffecten vloeien immers voort uit uiteenlopende combinaties van genetische aanleg, levensstijl, cultuur, sociaal-economische factoren, voedingspatroon, medicijngebruik, geografische locatie, klimaat en stressfactoren. Dan zijn er nog de biologische mechanismen, zoals ophoping van verontreinigende stoffen in de voedselketen, waardoor concentraties in levende organismen vele duizenden keren hoger kunnen zijn dan in het omringende milieu.

Individuele combinatie van milieufactoren

De effecten van combinaties van stoffen zijn niet zondermeer op te tellen. Stoffen kunnen elkaars effect versterken, danwel afzwakken. Daarnaast speelt de tijdschaal mee, in het menselijke lichaam worden de effecten van opname van dioxines, asbestvezels en PCB’s pas na vele jaren of in veel gevallen zelfs helemaal niet zichtbaar. Ook wordt ieder individu blootgesteld aan zijn eigen combinatie van milieufactoren. Als kind kan iemand blootgesteld zijn aan broomhoudende vlamvertragers in moedermelk, overmatige UV-straling op het strand of tabaksrook in de woonkamer. Dat heeft invloed op iemands weerbaarheid in zijn of haar volgende levensfase. Het maakt dan verschil of iemand een kantoorbaan krijgt of dagelijks blootgesteld wordt aan chemische stoffen in een fabriek.

Onzekerheden verwerkt in veiligheidsfactoren

Deze onzekerheden hebben hun weerslag op het milieubeleid. Beleidsmakers die de normen vaststellen voor verontreinigende stoffen, en onderzoekers die hen daarin adviseren, zijn zich daar terdege bewust van. Het is voor hen onmogelijk alle genoemde factoren te verwerken in de risicoschatting. Daarom gaat men niet alleen uit van aannames, maar worden er ook zeer belangrijke factoren - die veelal persoonsgebonden zijn - buiten beschouwing gelaten. Deze onzekerheden worden verwerkt in veiligheidsfactoren. De dosis waarvan uit experimenten blijkt dat er een gezondheidseffect optreedt, wordt in de normering veelal gedeeld door 1000. De normering van concentraties in water, bodem en lucht – en vergunningen voor de industrie – worden daarop afgestemd.

Ziek van het milieu

Dat mensen - ondanks de handhaving van milieunormen - ziek worden van het milieu blijkt uit ieder onderzoek, maar de ramingen over het werkelijke gezondheidsverlies lopen sterk uiteen. Een paar cijfers…

‘20 procent ziektelast te wijten aan milieufactoren’

De Berkeley University of California komt in het rapport ‘How much global health is attribute to environmental factors’ tot de conclusie dat 20 procent van de totale ziektelast in de geïndustrialiseerde landen te wijten is aan milieufactoren. Het Europees Milieuagentschap te Kopenhagen durft te stellen dat het aantal mensen dat als gevolg van luchtverontreiniging overlijdt, 60.000 per jaar bedraagt in 124 steden van Europa met in totaal 80 miljoen inwoners. Over de ziektelast door milieufactoren is het ministerie van VROM aanmerkelijk positiever. Slechts 2 tot 5 procent zou toe te schrijven zijn aan milieufactoren, waarin naast de kwaliteit van lucht, ook bodem en water zijn meegenomen.

‘75-80 procent kanker te wijten aan milieufactoren’


Ook de Vlaamse overheid heeft getracht de relatie tussen gezondheid en milieu te kwantificeren. In de ‘Maatschappelijke beleidsnota Milieu en Gezondheid’ stelt ze dat 75 tot 80 procent van de kankergevallen in de geïndustrialiseerde wereld te wijten is aan milieufactoren. Het rapport stelt dat er in de periode tussen 1974 en 1994 een toename van 40 procent is van huidkanker en dat in Antwerpen tussen 1992 en 1997 het aantal astmagevallen met 30 procent is gestegen.

‘3-5 procent sterfte in NL door luchtverontreiniging wegverkeer’

In Nederland lopen de ramingen van het aantal doden als gevolg van luchtverontreiniging door wegverkeer uiteen van jaarlijks 4.000 tot 7.500 doden, ongeveer 3 tot 5 procent van de totale sterfte. Spreken we over de emissie van fijn stof – de verzamelnaam van zwevende deeltjes in de lucht kleiner van 10 micrometer – dan omvatten de langetermijneffecten nog een groter aantal mensen. Men denkt dat 10.000 tot 15.000 personen daardoor voortijdig komen te overlijden. Bronnen van fijn stof zijn roet uit dieselmotoren en uitstoot door industrie, elektriciteitscentrales, open haarden, houtkachels, allesbranders en barbecues. Maar ook natuurlijke bronnen, zoals zeezout en stof vanuit de bodem. In Nederland komt het meeste fijn stof, ongeveer 70 procent, vanuit het buitenland.

Stralingseffecten


Verder spelen stralingseffecten een rol. Over elektromagnetische straling door UMTS-masten, GSM-basisstations en hoogspanningsleidingen is weinig bekend, maar doen wel de wildste verhalen de ronde. Van radon, een radioactief edelgas, is in wetenschappelijke kring meer bekend. Als het uiteenvalt in andere stoffen kunnen die zich gaan hechten aan zwevende deeltjes, welke zich aan het longweefsel hechten en longkanker kunnen veroorzaken. Uit onderzoek blijkt dat radon met name extra risico's oplevert in combinatie met roken. Binnenshuis kan het radongehalte oplopen tot schadelijke concentraties, omdat het verwerkt is in bouwmateriaal.

‘800 kankergevallen per jaar door radon in huizen’

Vanaf de jaren ’70 is de radonconcentratie in nieuwbouwwoningen met 50 procent toegenomen. In de huidige bouwmaterialen komt radon namelijk makkelijker vrij. Ook de betere isolatie van nieuwbouwwoningen zorgt voor een hogere concentratie, aangezien de lucht daardoor minder vaak ververst wordt. Volgens de Gezondheidsraad leidt blootstelling aan radon binnenshuis in Nederland tot 800 extra gevallen van longkanker en is de gemiddelde kans per jaar om te overlijden aan radon 1 op de 20.000. Daarmee ligt het gezondheidsrisico boven het zogeheten Maximaal Toelaatbaar Risico (MTR). Voor kankerverwekkende stoffen betekent deze MTR dat blootstelling aan een bepaalde stof hooguit 1 extra sterfgeval per jaar per miljoen blootgestelde inwoners mag veroorzaken. Omdat vrijwel iedereen aan radon wordt blootgesteld, is het risico voor radon dus 800 per 16 miljoen ofwel 50 sterfgevallen per miljoen mensen per jaar. Een overschrijding van de norm met een factor 50.

Onzekere milieurisico’s worden niet gecommuniceerd

Hoewel de schattingen sterk uiteenlopen, causale verbanden veelal in het ongewisse blijven en allerlei andere factoren voor ruis zorgen in de onderzoeksmethodieken, wordt de ernst van milieugerelateerde gezondheidsrisico’s wel duidelijk uit de vele onderzoeken. Een ernst die vaak gebagatelliseerd wordt door de vorengenoemde onzekerheden. Deze onzekerheden, ofwel de onbekendheid met milieurisico’s, hebben niet alleen invloed op het milieubeleid, maar ook op het risicobewustzijn en de risicocommunicatie. Risico’s die niet met harde cijfers onderbouwd kunnen worden, worden niet gecommuniceerd.

EU-commissie pleit voor integrale benadering

In het rapport ‘Een Europese strategie voor milieu en gezondheid’ wijst de Europese Commissie de Europese instituties op de noodzaak tot verder onderzoek en reeds aangetoonde, verontrustende, relaties tussen volksgezondheid en milieu. Bij eerdere milieu-evaluaties lag de nadruk op de effecten van individuele verontreinigende stoffen. Dit heeft volgens de Europese Commissie tot een eenvoudiger aanpak, maar wellicht ook tot een onderschatting van de werkelijke gezondheidseffecten geleid. Daarom is er volgens de Commissie een geïntegreerde benadering nodig. Dit maakt de evaluatie van de algehele milieueffecten op de gezondheid van de mens transparanter en efficiënter. Het houdt bijvoorbeeld rekening met gecombineerde blootstelling en cumulatieve effecten.